De gegevens over de rassen in de rassenlijst zijn verkregen uit onderzoek dat minimaal gedu-rende drie jaar is verricht op meerdere proefvelden, die verspreid over het land zijn aangelegd. Dit is de enige solide basis voor een verantwoorde rassenkeuze.
1 Rhizomanie
Alle rassen op de aanbevelende rassenlijst zijn resistent tegen rhizomanie.
Alle rassen op de aanbevelende rassenlijst zijn resistent tegen rhizomanie.
2 Rhizoctonia
De bodemschimmel Rhizoctonia solani veroorzaakt veel schade aan de bieten. Chemische be-strijding is niet mogelijk. Rhizoctoniaresistente rassen (Arrival, Solano en Piranha) beperken veelal de schade. Het resistentieniveau van deze rassen is niet volledig. Vooral bij een vroege aantasting kan nog plantuitval plaatsvinden.
Bij een zware besmetting kunnen ook later in het seizoen bieten aangetast worden en gaan rotten. De kans op schade door rhizoctonia neemt toe door een slechte structuur en door de teelt van gewassen als maïs en gras. Ook gewassen zoals schorseneren, wortelen en lelies vergroten de kans op rhizoctonia. Zorg daarom vooral voor een goede structuur van de grond en beperk de teelt van bieten na risicovolle gewassen. Goede voorvruchten zijn: granen, aardappelen, blad-rammenas en gele mosterd. Alle rhizoctoniaresistente rassen zijn ook resistent tegen rhizomanie. De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van deze rassen staan vermeld in de tweede tabel op bladzijde 2 van de Zaadbrochure.
3 Witte bietencysteaaltjes
In vrijwel alle teeltgebieden komen aantastingen door bietencysteaaltjes voor. Er zijn twee soorten: het witte bietencysteaaltje (Heterodera schachtii) en het gele bietencysteaaltje (Heterodera betae). Theresa KWS beperkt de vermeerdering van en de schade door het witte bietencysteaaltje, maar niet van het gele. Dit ras, momenteel het enigste resistente ras op de markt, is partieel resistent. Dit betekent dat er bij Theresa KWS nog altijd vermeerdering kan zijn van het bietencysteaaltje. De vermeerdering is echter wel flink minder dan bij de vatbare rassen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig, zie hiervoor hoofdstuk 6 ‘Bietencysteaaltjes’.
De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van Theresa KWS op proefvelden zonder besmet-ting met bietencysteaaltjes staan vermeld in de eerste tabel op bladzijde 2 van de Zaadbrochure. Onder deze omstandigheden is de opbrengst van het resistente ras enige procenten lager dan van de vatbare rassen. Het resistente ras is ook onderzocht op proefvelden met een zware tot zeer zware beginbesmetting (zie de derde tabel op pagina 2 van de Zaadbrochure). De opbrengst van het resistente ras is dan aanzienlijk hoger dan die van de vatbare rassen. Modelberekeningen op basis van proefveldresultaten laten zien dat de inzet van deze partieel resistente rassen lonend is vanaf een lichte tot matige beginbesmetting (circa 150-300 eieren en larven/100 ml grond), afhankelijk van de droogte in een jaar. Aangezien het van te voren niet duidelijk is of er veel droogte zal optreden, is het advies om vanaf een lichte besmetting een resistent ras in te zetten.
De vermeerdering van het witte bietencysteaaltje is sterk afhankelijk van de jaaromstandigheden en de beginbesmetting. Resistente rassen vermeerderen onder alle omstandigheden het witte bietencysteaaltje minder dan de vatbare rassen. De resistentie is niet volledig. Ook bij resistente rassen zal er afhankelijk van de begindichtheid een vermeerdering van de aaltjes kunnen optreden. De verschillen in resistentie tussen de rassen is onderzocht in een klimaatkamertoets. In de derde tabel op bladzijde 2 van de Zaadbrochure zijn de uitslagen van deze toets vermeld. Deze rassen zijn ook resistent tegen rhizomanie.
In vrijwel alle teeltgebieden komen aantastingen door bietencysteaaltjes voor. Er zijn twee soorten: het witte bietencysteaaltje (Heterodera schachtii) en het gele bietencysteaaltje (Heterodera betae). Theresa KWS beperkt de vermeerdering van en de schade door het witte bietencysteaaltje, maar niet van het gele. Dit ras, momenteel het enigste resistente ras op de markt, is partieel resistent. Dit betekent dat er bij Theresa KWS nog altijd vermeerdering kan zijn van het bietencysteaaltje. De vermeerdering is echter wel flink minder dan bij de vatbare rassen. Daarom zijn aanvullende maatregelen nodig, zie hiervoor hoofdstuk 6 ‘Bietencysteaaltjes’.
De relatieve opbrengst- en kwaliteitsgegevens van Theresa KWS op proefvelden zonder besmet-ting met bietencysteaaltjes staan vermeld in de eerste tabel op bladzijde 2 van de Zaadbrochure. Onder deze omstandigheden is de opbrengst van het resistente ras enige procenten lager dan van de vatbare rassen. Het resistente ras is ook onderzocht op proefvelden met een zware tot zeer zware beginbesmetting (zie de derde tabel op pagina 2 van de Zaadbrochure). De opbrengst van het resistente ras is dan aanzienlijk hoger dan die van de vatbare rassen. Modelberekeningen op basis van proefveldresultaten laten zien dat de inzet van deze partieel resistente rassen lonend is vanaf een lichte tot matige beginbesmetting (circa 150-300 eieren en larven/100 ml grond), afhankelijk van de droogte in een jaar. Aangezien het van te voren niet duidelijk is of er veel droogte zal optreden, is het advies om vanaf een lichte besmetting een resistent ras in te zetten.
De vermeerdering van het witte bietencysteaaltje is sterk afhankelijk van de jaaromstandigheden en de beginbesmetting. Resistente rassen vermeerderen onder alle omstandigheden het witte bietencysteaaltje minder dan de vatbare rassen. De resistentie is niet volledig. Ook bij resistente rassen zal er afhankelijk van de begindichtheid een vermeerdering van de aaltjes kunnen optreden. De verschillen in resistentie tussen de rassen is onderzocht in een klimaatkamertoets. In de derde tabel op bladzijde 2 van de Zaadbrochure zijn de uitslagen van deze toets vermeld. Deze rassen zijn ook resistent tegen rhizomanie.
4 Bladschimmels
In de praktijk komen behalve cercospora vaak ook de bladschimmels meeldauw, roest en ramularia voor. Tot 2006 is onderzoek gedaan aan cercosporaresistente rassen, maar deze rassen bleven in opbrengst achter. Bovendien was het sowieso nodig om een fungicidenbespuiting uit te voeren, omdat deze rassen niet resistent waren tegen de andere bladschimmels. Daarom is vanaf 2006 dit onderzoek stopgezet. In het huidige rassenonderzoek worden geen waarnemingen gedaan op gevoeligheid voor bladschimmels. De proefvelden worden op tijd behandeld met fungiciden, waardoor ze er in principe vrij van blijven.
In de praktijk komen behalve cercospora vaak ook de bladschimmels meeldauw, roest en ramularia voor. Tot 2006 is onderzoek gedaan aan cercosporaresistente rassen, maar deze rassen bleven in opbrengst achter. Bovendien was het sowieso nodig om een fungicidenbespuiting uit te voeren, omdat deze rassen niet resistent waren tegen de andere bladschimmels. Daarom is vanaf 2006 dit onderzoek stopgezet. In het huidige rassenonderzoek worden geen waarnemingen gedaan op gevoeligheid voor bladschimmels. De proefvelden worden op tijd behandeld met fungiciden, waardoor ze er in principe vrij van blijven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten